»  Home » Technische eisen » Aandachtspunten bij toepassing
 
 
 
     
   
 
Aandachtspunten bij toepassing van biosmeermiddelen
 
Overgaan op biosmeermiddelen is niet altijd een kwestie van simpelweg vervangen. Bovendien zijn biosmeermiddelen niet allemaal gelijkwaardig voor wat betreft de technische en milieuprestaties. In hydraulische toepassingen zijn belangrijke toetsingscriteria voor de toepasbaarheid van biosmeermiddelen onder meer:
  • Smeereigenschappen, viscositeit en viscositeitstemperatuurverloop;
  • Drukbestendigheid (Vickers-Eaton/FZG - Forschungsstelle für Zahnräder und Getriebebau),
  • Oxidatiebestendigheid (verouderingsbestendigheid);
  • Luchtafscheidend vermogen, schuimgedrag en demulgerend vermogen;
  • Corrosiebescherming Fe/Cu;
  • Verfaantasting;
  • Gedrag van afdichtingsmaterialen bij normale temperatuur en temperaturen >80°C
    • Acrylnitril-Butadien-Rubber, NBR;
    • Polyurethaan, AU/EU;
    • Gehydreerde Acrylnitril-Butadien-Rubber, HNBR;
    • Ethyleen-Propyleen-Dieen-Monomeer, EPDM (groep synthetische rubbers of elastomeren);
    • Fluorocarbon Rubber, FPM (bv. Viton®, Fluorel®).
    Klik hier voor de Columbia Engineered rubber material selection guide. 
  • Het is aan te bevelen de verdraagzaamheid van elastomeren te testen als vloeistoffen met een ISO VG 15 en 22 (ISO viscosity grades for industrial lubricants) tot max. 60°C worden gebruikt.
Bij onderstaande aandachtspunten en tips worden enkele van deze toetsingscriteria nader toegelicht (verder wordt verwezen naar de leveranciers en vakliteratuur).

Om problemen te voorkomen en de toepassing van biosmeermiddelen in bestaande of nieuwe installaties, voertuigen of apparatuur tot een succes te maken, moet rekening worden gehouden met de volgende aandachtspunten (zie ook tips):

  1. Oxidatie en thermische stabiliteit:
    Oliesoorten met een lage oxidatiestabiliteit zullen snel oxideren bij verhoogde temperaturen. Wanneer olie oxideert, wordt er zuur en slib geproduceerd. Het slib kan zich vastzetten op kritische onderdelen van de apparatuur en de smerende en koelende functies van de vloeistof verstoren. De geoxideerde olie zal ook de apparatuur aantasten. Pure plantaardige oliën zijn over het algemeen niet goed bestand tegen oxidatie, al beschikken plantaardige oliën met een hoog gehalte aan oliezuur wel over een aanvaardbare oxidatiestabiliteit voor een groot aantal toepassingen. Synthetische esters zijn stabieler dan de meeste plantaardige oliën. Sommige esters vertonen zelfs een betere oxidatiestabiliteit dan smeermiddelen op basis van minerale olie.
     
  2. Gedrag bij lage temperaturen:
    Bij lage temperaturen is de vloeibaarheid van (pure) plantaardige oliën ongunstig in vergelijking met andere synthetische biosmeermiddelen. Wanneer olie stolt, worden de smerende eigenschappen in hoge mate aangetast.
     
  3. Compatibiliteit met systeemcomponenten:
    Biosmeermiddelen gaan soms niet samen met bepaalde verfsoorten, lakken, pakkingen en metalen (er kan een chemische reactie optreden, waardoor het smeermiddel kan opzwellen). Hierop moet vooral worden gelet bij polyglycolen en in mindere mate bij synthetische esters. Uitgebreide praktijkervaring met smeermiddelen op basis van plantaardige olie heeft betrekkelijk weinig problemen opgeleverd met pakkingen en verfsoorten. Smeermiddelen op basis van plantaardige oliën gaan veelal goed samen met staal en koperlegeringen. Ook bieden zij uitstekende bescherming tegen roestvorming.
     
  4. Compatibiliteit met filters:
    Speciale filterelementen zijn in het geval van plantaardige oliën en synthetische esters niet vereist. Bij de overgang op biosmeermiddelen dienen de filters te worden geïnspecteerd nadat ze enige uren in werking zijn geweest, want biosmeermiddelen hebben de neiging minerale olieresten uit het systeem te verwijderen en af te voeren naar de filters.
     
  5. Hydrolytisch gedrag:
    Het hydrolytische gedrag (hoe gemakkelijk de stof in aanwezigheid van water splitst in de samenstellende delen, ook wel demulgerend vermogen genoemd) is een punt van aandacht, vooral wanneer het gebruik van synthetische esters wordt overwogen. Bij het gebruik van plantaardige oliën speelt dit punt een kleinere rol. De hydrolytische stabiliteit van op de markt verkrijgbare biosmeermiddelen wordt verbeterd met behulp van additieven.
     
  6. Schuimen:
    Schuimende olie kan in smeer- en hydraulische systemen een groot probleem zijn. De smerende en hydraulische eigenschappen van oliën worden door excessief schuimen ernstig aangetast. Laboratoriumtests wijzen uit dat de meeste biosmeermiddelen geen schuimproblemen opleveren.
     
  7. Residu van minerale olie:
    Bij de overgang naar biosmeermiddelen is het aan te bevelen om alle minerale olie uit het systeem af te voeren en, indien mogelijk, het systeem schoon te spoelen. Bij plantaardige oliën is een maximaal residu van 2% toegestaan.
 
 
Disclaimer